Goed flossen doe je langs de zijkanten van je tanden, niet door de draad hard tegen het tandvlees te trekken. Laat eerst controleren of floss het geschikte hulpmiddel is voor jouw tussenruimten.

Stap voor stap
- Neem ongeveer 30–45 cm floss. Wikkel de uiteinden om je vingers en houd een kort stukje tussen duimen en wijsvingers gespannen.
- Geleid het draad voorzichtig door het contactpunt tussen twee tanden. Laat het niet met een ruk in het tandvlees schieten.
- Leg het draad in een C-vorm tegen één tand. Beweeg rustig langs die tandzijde op en neer, tot aan de tandvleesrand en voorzichtig iets eronder zonder te forceren.
- Reinig ook de zijkant van de andere tand in dezelfde tussenruimte. Gebruik tussendoor een schoon stukje draad.
- Werk in een vaste volgorde door je mond en vergeet de achterkant van de laatste tand of kies niet.
Tussenruimte is geen pocket
De ruimte tussen twee tanden heet een tussenruimte. Een pocket is de ruimte tussen tand en tandvlees. Floss is niet bedoeld om zelf diep onder het tandvlees een verdiepte pocket te behandelen.
Als flossen lastig blijft
Een flosshouder kan helpen, maar moet wel goed langs de tandzijden kunnen bewegen. Bij ruimere openingen kan een passende rager praktischer zijn. Floss niet met kracht langs een plek waar het draad steeds blijft haken; laat dat beoordelen.
Bespreek pijn of terugkerend bloedend tandvlees met je tandarts of mondhygiënist. Een persoonlijke demonstratie maakt vaak duidelijk welke kleine aanpassing nodig is.
Bronnen en actualisering
Redactioneel bijgewerkt op 21 oktober 2026. Algemene informatie; geen individuele diagnose of behandeladvies.